Gezichten van Istanbul, verhalen over een stad tussen twee continenten

Istanbul zindert. Het kan je dronken maken. De stad is mysterieus, vol kruidige geuren, verkeerslawaai en straatventers met galmende stemmen, met een horizon van koepels en minaretten die eeuwenlang niet veranderd is. Het is een stad van sultans en sloebers. Oosters. Tenminste als je uit het westen komt. Voor de reiziger uit het oosten is Istanbul de eerste stad van het westen, een verademing vol verleidingen en vrijheden.

Istanbul is oud, met zijn nauwe, slingerende, volgepakte straatjes. Met zijn bedelaars en sjofele kindertjes die moeizaam een hongerloontje bijeenschrapen. Maar Istanbul is ook modern met zijn wolkenkrabbers, glanzend in de gouden zon. Met bonzende danspaleizen waar de bevoorrechte jeugd zich in het zweet kronkelt op house of hip hop of wat de laatste trend ook is. Er zijn zoveel nachtclubs in Istanbul als er restaurants in Parijs zijn, galeries in Berlijn, of blackpool hotels. Aan de Bosporus kan je de hele nacht feesten in stijl en in de zijstraatjes rond Taksim vind je gezellige kroegjes naast louche tentjes. Istanbul is een gigantische, almaar uitdeiende stad, een magneet voor gelukszoekers en avonturiers. En achter ieder gezicht schuilt een verhaal. Auteur Jessica Lutz vertelt in dit boek de verhalen die zij opgetekend heeft. Het gaat over mensen, want die vormen het kloppend hart van haar geliefde stad.

Uitgeverij Conserve, 2008

Met prachtige foto's van Arif Aşçı.

Het boek is te bestellen bij Selexyz of via bol.com


uit Gezichten van Istanbul

Inleiding

Een stad van zwart-wit, van melancholie. Weemoed. Dat is Istanbul voor Orhan Pamuk. Het is waar dat deze stad prachtig is om vast te leggen in zwart-wit foto’s. Maar het zijn juist de kleuren die mij iedere ochtend blij maken dat ik in Istanbul wakker word.
Wanneer het sneeuwt, is het water van de Bosporus grijzig olijfgroen en lijkt het wel alsof de boten op een wolk varen. Maar op het moment dat ik dit schrijf is de hemel strak blauw. Het water is oogverblindend wit door de reflectie van de zon die nog laag staat. Straks, wanneer hij hoger klimt, wordt het water donkerblauw met kleine golfjes die er over uitgestrooid zijn zo lijkt het wel, schitterend als zilver. Tegen de avond wordt de kleur diep als die van inkt. Dan steken de witte veerponten met hun oranjegele band fel af. De zware toeter van een reus van een vrachtschip galmt boos boven het eeuwige verkeersgeronk uit wanneer een veerpont al te dicht voor de donkere boeg langs scheert. Net als de chauffeurs in deze stad denken de kapiteins dat waaghalzerij loont. Later, wanneer de zon ondergaat, gloeien de gebouwen op de kust van Azië vuurrood in het strijklicht.
De negentiende eeuwse gebouwen waarlangs ik naar de Bosporus kijk, schakeren van okergeel naar het tere geel van de honingmeloen waar ik graag mijn tanden in zet in één van de restaurantjes in de buurt, met witte kaas erbij en een glaasje melkwitte rakı, de nationale anijslikeur.

.....

Hoofdstuk 1: Te gast

Wapens. Nooit eerder heb ik zoveel gewapende mannen gezien als wanneer ik voor het eerst in Istanbul land. Op iedere straathoek staat wel een soldaat met een machinegeweer in zijn handen, een patroongordel over de borst. Ook politiemannen hebben steevast een revolver op de wiegende heup, maar niemand – behalve ik -- kijkt er van op of om, zo lijkt het wel.
Het is de zomer van 1983. Nog geen drie jaar eerder heeft het leger de macht overgenomen nadat het land op de rand van een burgeroorlog was. Pas een paar maanden na mijn vakantie zullen de Turken weer een burgerregering krijgen. Het militaire bewind vindt alles verdacht. Het is de tijd dat, wanneer ik in gebroken Turks op een terrasje bij even tevoren verworven Turkse vrienden naar de Koerden informeer, iedereen aan de tafeltjes om me heen ineenduikt en er een luid ‘ssjjjt!’ klinkt.
Ik heb in een onbezonnen bui besloten om ‘Turkologie’ te studeren omdat het intrigerend en ook wel een beetje komisch klinkt en ik heb net mijn eerste, zeer vrolijke collegejaar achter de rug. Nu ga ik een rondreis maken door dit mij onbekende land. Op grond daarvan zal ik besluiten of ik wel of niet door ga met mijn studie. Zo om me heen kijkend vraag ik me af waar ik aan begonnen ben. Tegelijkertijd raakt de stad me. De gouden kleur van het zonlicht, de chaotische herrie van het verkeer, zelfs de ondefinieerbare stank in de lucht zijn opwindend.
Op de eerste dag breng ik een bezoek aan de Blauwe Moskee, zoals iedere rechtgeaarde toerist behoort te doen. Nu ligt er dik fabriekstapijt, maar dan liggen er nog handgeweven kleden op de grond, kaal gesleten van de duizenden kousenvoeten die er dag in dag uit overheen schuifelen. Vroeger kregen bezoekers overschoenen aan en moesten ze betalen om een moskee te betreden, getuige het relaas van de Nederlandse Kees Valkenstein – een collega -- uit omstreeks 1908 in zijn boek In en om Istanboel. Kees steekt de draak met de enorme afmetingen van zijn moskeesloffen.
‘Verstandige lui die hodzja’s om hun ongeloovige gasten eerst ‘n gulden entrée te laten betalen voor het bezichtigen hunner dzjami’s. De heeren moeten daar ‘n aardig piastertje aan verdienen. Enfin, waarvoor heeft Allah anders de ongeloovige geschapen, hè? Maar nóg verstandiger waren ze, toen ze op de idee kwamen die lui ook nog zo’n paar muilen aan te trekken. De geniale kop die deze dingen uitvond, moet wel ‘n fanatieke hekel aan de ‘Franken’ gehad hebben. […] In deze sloffen wandelt de giaur (ongelovige) met schroomvalligen eerbied rond onder de Mohammedaansche koepels. Z’n sloffen maken iedere onbekookte beweging onmogelijk. Geen enkele verwaande positie is hem toegestaan. De overtollige ruimte zijner muilen belet hem eenige stappen achteruit te doen om op Westersche museum-manier zijn speciale afstand van duidelijk zien te benaderen.’
Ook ik gedraag me in 1983 deemoedig onder het strenge oog van de geestelijke die erop toeziet dat geen islamitische regels worden overtreden.
.....

Hoofdstuk 3: Tulpen voor het Topkapı

Als allereerste, kersverse culturele attaché van Nederland in Turkije ben ik betrokken bij een tentoonstelling over 400 jaar betrekkingen tussen onze twee landen. Officieel mag ik me overigens geen attaché noemen, want Den Haag heeft in 1990 nog geen enkele belangstelling voor een dergelijke functie. Het is dankzij een consul-generaal met vooruitziende blik dat ik deze baan heb, maar een budget krijg ik niet.
De tentoonstelling zal eerst in het Museum voor Volkenkunde in Rotterdam te zien zijn en daarna in het Topkapı. Er moet heel wat georganiseerd worden. Stukken uit Turkije moeten naar Nederland en andersom. De Nederlandse musea hebben een waslijst met eisen die ze stellen aan de tentoonstellingsruimte. Ik ga regelmatig naar het paleis om met de directeur te overleggen. Hij is een politieke benoemeling, een zwaar besnord vriendje van de minister die een baantje nodig had en die zichzelf vreselijk belangrijk vindt. De professionals in het paleis, kunsthistorici van allerlei pluimage, minachten hem. Ik vind hem wel komisch met zijn dikdoenerij.
Het Nederlandse bedrijfsleven in Turkije sponsort de tentoonstelling en de tuinbouwbedrijven hebben een heel Hollands aanbod: tulpen. We weten allemaal dat de tulp oorspronkelijk uit Turkije komt, en dat maakt het des te symbolischer voor de goede band. Nederlanders, waartoe in de zestiende eeuw ook de Vlamingen gerekend worden, hebben een cruciale rol gespeeld bij het verspreiden van bolgewassen uit Klein-Azië.
De Vlaamse Ogier Ghiselin de Busbecq reist in 1554 als ambassadeur voor de Oostenrijkse keizer Ferdinand I naar Istanbul. De twee landen betwisten elkaar Transsylvanië en de Busbecq heeft tot taak om op vreedzame wijze tot een akkoord te komen over waar de grens moet lopen. In zijn vrije tijd verzamelt hij van alles en nog wat. Vooral ook bolgewassen.
Sultan Mehmet de Veroveraar had al vele tuinen aangelegd in de stad, maar onder Süleyman de Prachtige, wanneer het Osmaanse Rijk op zijn grootst en machtigst is, zijn de publieke en particuliere tuinen een feest voor het oog. In deze tijd beginnen Istanbulse hoveniers ook met het kweken van sierrassen. Tot dan toe werden alle bollen in het wild gerooid.
In Europa bestaan er dan nog geen tuinen puur voor het plezier, alleen kruiden- en groentetuinen en boomgaarden. De Busbecq schrijft brieven en verhandelingen over de bloemenpracht die hij aantreft en stuurt, zo wordt aangenomen, de eerste bollen naar Europa. Hij reist veel samen met Willem Quackelbeen, een arts en dus ook botanicus. Niet alleen tulpen, ook narcissen, hyacinthen, lelies, ranonkels, anemonen, anjers en allerlei andere bollen introduceert het tweetal bij het Oostenrijkse hof. Op een gezamelijke reis sterft Quackelbeen aan de pest. Zijn grafsteen op de katholieke begraafplaats in Feriköy is misschien wel het oudste Nederlandse monument in Istanbul.
Hoofd van de keizerlijke tuinen in Wenen is in die tijd Karel van der Sluis, die zich in humanistische traditie ook wel Carolus Clusius noemt. Ook hij is botano-medicus en reist het Middellandse Zeegebied af op zoek naar bijzondere en bruikbare planten. Wanneer hij ver over de zeventig is, vraagt de Universiteit van Leiden hem om de Hortus op te zetten. Zo komt de tulp omstreeks 1590 naar Nederland.
.....

Hoofdstuk 7: What’s in a coffee?

Ondanks de opmars van westerse modes als hippe café’s, cafetaria’s en fast food restaurants vind je nog steeds overal in de stad ouderwetse koffiehuizen. Mannen zitten onder de nevels van sigarettenrook met gebogen ruggen naar de triktraksteentjes voor hen te turen. Soms, op een intens moment in het spel klinkt er een brul, gevloek, maar je hoort vooral het geklik van de steentjes. Er wordt meestal weinig gesproken in zo’n koffiehuis.
Ergens in een hoek staat een televisie aan en de kans is groot dat er een erotische film op te zien is, een van die gouwe ouwes die in de jaren zeventig aan de lopende band geproduceerd werden in Yeşil Çam, ooit het Hollywood van Istanbul. Die films zijn overigens erg kuis. De seks speelt zich geheel af in het hoofd van de kijker die aan de betekenisvolle blik van een acteur die zijn hemd uitrukt, de hijgende adem van een angstig kijkende actrice genoeg heeft. De meeste klanten werpen slechts af en toe een blik op het scherm, wanneer het volume van het gezucht en gekreun toeneemt. In die films wordt ook niet zoveel gesproken.
De Turken drinken overigens vooral thee in het koffiehuis. Dat is zo gekomen door Mustafa Kemal Atatürk, de man die na de Eerste Wereldoorlog korte metten heeft gemaakt met het Osmaanse Rijk en de republiek oprichtte. Het was niet omdat hij koffie niet lekker vond. Maar het land was verwoest door bijna een eeuw van oorlog voeren, de schatkist was absoluut leeg en het grootste deel van de bevolking straatarm. Koffie importeren was een niet te veroorloven luxe. Thee kon in eigen land verbouwd worden. Nog net, want de Zwarte Zeekust waar op zijn bevel de plantages zijn aangelegd, is de allernoordelijkste grens van waar de theestruik gedijt. Vandaar dat Turkse thee zo vreselijk bitter is. Koffie brouwen kunnen de Turken desondanks nog steeds als de beste.
Sabri Koz heeft zijn leven gewijd aan het bestuderen van de Turkse koffiecultuur. Hij is 'lid' van een koffiehuis. ‘Dat betekent dat men zich zorgen maakt als ik niet opdaag,’ vertelt hij.
.....

Hoofdstuk 22: De aarde beeft

Midden in de nacht wordt ik wakker. Voor ik me kan afvragen wat mijn slaap verstoord heeft, begint het bed te dansen. Ik lig plat op mijn buik en klamp me vast aan de matras die golft en steigert als een wild paard. Pas wanneer het schudden ophoudt, kan ik weer adem halen, zo lijkt het wel. Ook mijn lief naast me. Ik hoor zijn korte, snelle ademstoten. De kinderen komen binnen in het donker. Het licht doet het niet. Ze gaan op het bed zitten. We spreken nauwelijks, vol ontzag over dit natuurgeweld. En wat we zeggen, fluisteren we. Want na het akelige gekreun en gedender van ons oude, houten huis is het nu zo stil als ik dat nog nooit gehoord heb in deze stad. Mijn nekharen staan recht overeind.
Dan horen we gedempte stemmen. De buren op ons trappestraatje in de wijk Arnavutköy zijn naar buiten gegaan, een reflex die wij niet hebben. We hebben er zelfs niet aan gedacht om onder een deurpost te gaan staan. Als lopen al mogelijk was geweest. Gelukkig heeft nog geen plank losgelaten tijdens het geschud. Wel grijp ik de telefoon. Dood. Mijn maag balt zich samen. Ik voel dat er iets heel ernstigs is gebeurd.
Onwillig, alsof ik de ramp nog buiten kan houden, loop ik de trap af. Met mijn transistorradiootje aan mijn oor ga ik beneden in het duister zitten wachten. Ik draai van zender naar zender tot eindelijk de nachtelijke muziek plaats maakt voor de stemmen van de disc-jockeys die telefoontjes krijgen van luisteraars:
‘Ik bel van Adapazarı. Alle huizen hier in de straat lijken ingestort te zijn, maar ik kan het niet goed zien in het donker.’
‘Ik bel uit Avcılar. Het flatgebouw tegenover ons is verdwenen. Er is geen licht. Ik hoor mensen schreeuwen.’
‘Dit is Yalova. Kan iemand hulp sturen? Er zijn zoveel gewonden!’
Al die plaatsen liggen behoorlijk ver uiteen. Mijn ongerustheid neemt toe. Ik blijf luisteren tot mijn mobieltje overgaat. ‘Hi, Jessica, this is CBS…’ Het is vier uur ‘s morgens, 17 augustus 1999. Elk half uur belt het Amerikaanse radiostation voor updates. Om zes uur belt de eerste Nederlandse radio.
.....


Wie meer wil lezen kan het boek bestellen bij www.conserve.nl




Terug naar boven